VOSSENJAGEN    

1. Wat is vossenjagen

VOSSENJAGEN heeft in onze hobby gelukkig niets met het uitroeien van vossen te maken. Het is een activiteit van in amateur radio geïnteresseerde personen die hun hobby willen combineren met gezond buiten bezig zijn. Het is een wedstrijd waarbij in een zo kort mogelijke tijd een aantal verborgen zenders (de vossen) meten worden opgespoord d.m.v. radiopeilingen. Vossenjachten worden zowel in bossen, in de bebouwde omgeving als in watergebieden gehouden. In Nederland zijn de meeste vossenjachten te voet (de zgn. loopjachten), maar gebruik van fietsen, auto's en boten of kano's komt ook voor. Vossenjacht-ontvangers en zenders zijn vaak vrij eenvoudig en de meeste zijn door de jagers zelf gemaakt.

De eerste vossenjacht vond in Nederland reeds in de dertiger jaren plaats op de 80 m band. Daar kwamen zware peilontvangers met buizen en grote raamantennes aan te pas. Het gebruik van buizen betekende ook dat er kostbare anodebatterijen (90 Volt) moesten worden gekocht. De “vos” was meestal bemand en men zond soms grammofoonmuziek uit; da t mag nu  niet meer. Het “vossehol” was vaak een droge greppel, een – verlaten schuurtje of een plek achter struikgewas. In de zestiger jaren kwamen transistors beschikbaar, waarmee het mogelijk werd om kleine ontvangers voor 2 m te bouwen. In de volgende jaren werd bijna uitsluitend op 2 m gejaagd; een enkele keer op 70 cm. De amateur-banden tussen 7 en 30 MHz zijn minder geschikt, omdat het bereik van de grondgolf klein is en er vaak sterke skywave-interferentie optreedt. Vanaf ongeveer 1980 zien we een beweging terug naar de 80 m band. Als uitzondering jaagt men in Groot-Brittannië op de 160 m band.

2.  Peilen op 80 m.

Op 80 m wordt gepeild met een raamantenne (tegenwoordig vaak “magnetic loop” genoemd) of een ferrietstaaf‑antenne. Deze antennes reageren op de magnetisch-veld component van de elektromagnetische golf. De magnetische veldlijnen rond een verticale antenne kunnen worden weergegeven als cirkels in het horizontale vlak rond die antenne. Een raamantenne is in feite een vlakke spoel met een grote diameter en weinig windingen. Een ferrietstaaf-antenne is een gewone spoel, gewikkeld op een staaf van ferroxcube of poederijzer, die aan weerszijden een stuk uitsteekt buiten de spoel. Beide antennetypen worden meestal als parallelkring afgestemd op de werkfrequentie van de vos d.m.v. een afstemcondensator Een raam- of ferrietstaaf-antenne geeft maximale spanning af, als een zo groot mogelijk aantal magnetische veldlijnen door de opening van de windingen passeert. Haaks op die richting treedt een scherp minimum in de ontvangst op. Dit minimum is veel scherper waarneembaar, dan het maximum en wordt daarom het meest gebruikt. Als op minimum wordt gepeild, wijst het verlengde van de ferrietstaaf-antenne naar de vos, terwijl de richting naar de vos bij een raamantenne exact haaks staat op het vlak van het raam. Voor een beginner lijkt het dus, alsof een ontvanger met raamantenne een 90° afwijkende peiling geeft! Wanneer je jezelf realiseert, hoe in beide gevallen de windingen lopen, blijkt het gedrag op hetzelfde neer te komen, zie de schetsjes hierbij.

Peilend op minimum met alleen een raam- of ferrietantenne is weliswaar een lijn op een kaart te zetten, waar ergens de vos op zou meten liggen, maar je krijgt in feite twee, 180° verschillende, richtingen. Daarom is eerst een kruispeiling nodig, om de plaats van de vos ongeveer vast te stellen en de looprichting te bepalen. Voor een goede kruispeiling moet je, na de eerste peiling, zo'n 500 m lopen in een richting die zo goed mogelijk haaks staat op de eerste peilrichting. Op de nieuwe plek aangekomen neem je een tweede peiling. Je krijgt dan twee lijnen op de kaart, die elkaar snijden op de plaats van de vos (zie schetsje van kaart met kruispeiling onder aan deze blz.). Het voordeel van een kruispeiling is, dat je alvast de afstand naar de vos kunt inschatten; het nadeel is de tijd, die het kost. Zoals je ziet, moet je wel met kaart en kompas kunnen omgaan: leen eens een boek van padvinders!

Met een sense-antenne is zonder kruispeiling de juiste looprichting te bepalen (maar geen afstand). De werking is als volgt. Stel, je hebt een raamantenne op maximum signaal gedraaid. Als je de antenne precies 180° ronddraait, is er weer een maximum, maar de fase van de HF-spanning is 180° gedraaid. Het is hetzelfde effect als het andersom aansluiten van een winding van een transformator. De sense‑antenne heeft meestal de vorm van een korte spriet. Hij reageert op de electrisch-veld component en is niet richtinggevoelig. Als we nu de spanning van de sense-antenne en die van de raamantenne even groot maken en op de juiste manier bij elkaar optellen, zullen de spanningen elkaar in één richting uitdoven en in de tegenovergestelde richting juist versterken, zie het schetsje. Merk op, dat het minimum met sense antenne haaks staat op het minimum zonder sense-antenne! De sense-antenne is apart schakelbaar. Om met de sense te werken, moet je tevoren weten, of het maximum naar de vos wijst of het minimum (hangt af van hoe de spoel is aangesloten). Bij de meeste ontvangers wijst het maximum naar de vos en is dit aangegeven met een pijl op de ontvanger. Het minimum is met sense antenne meestal minder scherp, dan zonder en ook vaak wat “scheef” t.o.v. de juiste peiling naar de vos. Werk daarom als volgt:

(1) Houd de ontvanger rechtop en draai, met uitgeschakelde sense, de peilantenne op minimum. Onthoudt die richting.

(2) Draai de ontvanger 90° t.o.v. het minimum (de vorige richting) en schakel de sense in. Als het signaal harder wordt, wijst de pijl naar de vos; als het verdwijnt, ligt de vos in de tegenovergestelde richting. Schakel de sense weer uit.

Na het bepalen van de looprichting is het een kwestie van "achter het minimum aanlopen" om bij de vos te komen. Naarmate je dichterbij komt, moet de HF-versterking worden teruggeregeld om een goed minimum te kunnen vinden. Als de vos niet continu in de lucht is, zoals bij ARDF, bestaat de kans, dat je hem voorbij loopt. Bepaal daarom zo nu en dan de looprichting opnieuw (sense antenne of kruispeiling). In het algemeen kan op 80m redelijk nauwkeurig gepeild worden. Flinke afwijkingen kunnen echter optreden als je peilt langs een kanaal of meer, of in de buurt van grote hekken, hoogspanningsleidingen of spoorrails.

3. Peilen op 2 m.

Op 2 m werd in de begintijd bijna altijd als peilantenne een halve golf dipool gebruikt. Het peilontvangertje, meestal een superreg, had aan weerszijden stekkerbus­sen. De dipoolhelften werden gevormd door twee 48 cm lange antennesprieten, die van stekkers waren voorzien en die in de stekkerbussen werden gestoken. Het stralingsdia­gram is de bekende "acht" (zie plaatje) en het minimum ligt in het verlengde van de sprieten (mits die goed recht zijn!). De looprichting moet met een kruispeiling worden bepaald, als uitgelegd in het vorige hoofdstuk. Op 2 m is de polarisatie van de radiogolven heel belangrijk; een verticaal gepolariseerd zendsignaal is met een dipool heel slecht te peilen. Daarom is de afspraak gemaakt, dat bij normale vossenjachten op 2 m altijd met horizontale polarisatie wordt gewerkt (tenzij men het opzettelijk heel moeilijk wil maken).

Een sense-antenne zoals op 80 m is voor 2 m moeilijk te maken. In plaats daarvan werken we tegenwoordig meestal met antennes met meerdere elementen, die een duidelijk maximum in hun stralingsdiagram hebben. Bij richten op maximum wijst de kant met de kortste elementen in de richting van de zender. Bekend zijn de 2‑el. HB9CV en de ZL-­special, 3- of 4-elements Yagi’s en zgn. log-periodische antennes. Hoe meer elementen, hoe scherper het maximum. Bij meer dan 2 elementen moet altijd op het maximum worden gepeild, omdat de minima niet haaks op de straler (dipool) liggen en er allerlei nevenlobben in het diagram zitten. De HF versterking, moet steeds zover worden teruggedraaid, dat het maximum eenduidig hoorbaar is en je niet het gevaar loopt, op een nevenlob te peilen.

Van de 2-el. antennes heeft de HB9CV weliswaar de meeste antennewinst en een goede voor-achter verhouding, maar het diagram is altijd wat scheef. Een goede kruispeiling is er moeilijk mee te maken. De 2-el. ZL-special die gemaakt wordt door de Radio Interesse Stam (scouting) heeft een wat minder grote voor-achter verhouding, maar de minima zijn scherp en ze liggen goed in het verlengde van de elementen. Het is bovendien een mechanisch stevige antenne. Veel gebruikers van deze antenne bepalen de looprichting via het maximum en peilen daarna op het minimum, omdat dit scherper is.

Op 2 m is de invloed van het terrein en van het weer op de peilingen groot. Vooral als het regent of pas geregend heeft, treden talloze reflecties op tegen bebossing; bij droog weer is dit veel minder. Ook gebouwen, hekken enz. kunnen sterke reflecties geven. Het vereist wat ervaring en zorgvuldig omgaan met de gevoeligheidsregeling om de juiste peiling te kunnen onderscheiden van de reflecties. Hier kan een goede signaalsterkte meter soms helpen. Als je in een bepaalde omgeving veel last hebt van reflecties, kun je vaak beter meerdere peilingen nemen vanaf plekken, die een tiental meters uit elkaar liggen en daaruit de meest duidelijke kiezen. Door heuvels, grote gebouwen, lange hekken met kippengaas enz. kan het signaal van de vos ook worden afgeschermd. Daarom is het van belang om in heuvelachtig terrein zo nu en dan een hoog punt op te zoeken voor de peilingen.

 

4. Eisen aan de peilontvangers.

Afstembereik; dit hangt af van het soort jacht. Er zijn pieperjachten, die de hele band gebruiken, dus voor 80 m is dat: 3,5 - 3,8 MHz en voor 2 m: 144 - 146 MHz. Omdat peilontvangers wel eens wat verlopen, is het wenselijk om een klein stukje over de bandgrenzen te kunnen afstemmen. Voor ARDF-jachten is een gespreid bereik van 3495 -3620 kHz (80m) resp. 143,95 - 145,05 MHz (2m) het prettigst.

Frequentiestabiliteit: vooral bij ARDF-jachten (alle vossen werken na elkaar op dezelfde frequentie) moet de peilontvanger goed op frequentie blijven staan; ook als er met de ontvanger wordt gehold, de ontvanger warm wordt in de zon of koud in een regenbui en de batterijspanning terugzakt. De benodigde stabiliteit hangt ook af van de bandbreedte van het filter. Voor 80 m is een stabiliteit van ±l kHz voldoende; voor 2 m is de eis naar verhouding wat strenger: ca 10 kHz.

Modes: Bij ARDF op 2 m is de mode AM voorgeschreven. Bij sommige lokale vossenjachten wordt FM gebruikt. Met een voor AM geschikte ontvanger is FM goed te peilen, mits de bandbreedte van de ontvanger niet te groot is. Inbouw van een extra FM-deel is dus niet nodig, als de ontvanger alleen voor vossenjachten wordt gebruikt. Denk aan het stroomverbruik bij allerlei extra schakelingen! De voedingsspanning van het eventuele FM‑deel moet uitschakelbaar zijn, want er kan instraling op het AM- gedeelte optreden. Een FM-ontvanger is zonder truc (zie verderop) niet geschikt voor peilen op 2 m. De voorgeschreven mode bij ARDF op 80 m is CW. Bij pieperjachten en op de Jutberg wordt vaak met AM gezonden. Het peilen gaat ook bij AM goed met een CW-ontvanger (directe conversie ontvanger of super met zwevingdetector).

Selectiviteit: Hier moet onderscheid worden gemaakt tussen 2 m en 80 m.

2 m: bij een ARDF-jacht is het verschil tussen de vossen en het finishbaken minstens 200 kHz. Bij een pieperjacht kunnen soms heel kleine frequentieverschillen tussen de zendertjes optreden. In ons land zijn er ook vaak harde FM- en packetsignalen uit de omgeving, hoorbaar en daar krijg je met een brede ontvanger last van. Een te smal filter betekent lastig afstemmen en gauw last van frequentieverloop. De optimale bandbreedte van de 2 m ontvanger is 30 kHz.

80 m: het frequentieverschil tussen ARDF-vossen en het finishbaken is altijd groter dan 10 kHz. Piepers liggen meer dan 10 kHz uit elkaar (of ze interfereren opzettelijk!). Overdag is er meestal weinig interferentie, maar bij nachtjachten is grotere selectiviteit nodig. De selectiviteit van een direct conversion ontvangertje (max. 2 à. 3 kHz ter weerszijden van de oscillatorfrequentie) is voldoende, maar een super met een enkelzijbandfilter is beter.

Gevoeligheid: een ferrietantenne geeft vrij weinig spanning af; een raamantenne wat meer. De signalen uit een lange draadantenne thuis zijn veel sterker. In de praktijk moeten met een 80 m peilontvanger met ferrietantenne CW-signalen waarneembaar zijn, die op een amateurtransceiver met een afgestemde draadantenne ongeveer met S6 doorkomen. Met een 2 m peilontvanger met een AM ingangssignaal van 0,5 μV (30% gemoduleerd) waarneembaar zijn. Het is voor AM‑ontvangers normaal, dat ze wat ongevoeliger zijn dan FM-ontvangers.

Lineair gedrag: soms zijn door reflecties de signaalsterkte verschillen, die door het draaien van de antenne ontstaan, maar klein. Soms zijn de verschillen niet hoorbaar, maar alleen met een meter vast te stellen. De peilontvanger mag deze kleine verschil­len niet nog eens kleiner maken doordat een automatische versterkingsregeling (AGC) erop reageert of door begrenzing. Daarom is een FM-ontvanger ook ongeschikt, tenzij het ingangssignaal zover kan worden verzwakt, dat begrenzing niet optreedt. Bij peilen op minimum mag de versterking niet automatisch oplopen, als het signaal “dipt”, anders draai je veel te snel over de “dip” heen of hoor je hem helemaal niet. Een AGC met dus beslist uitschakelbaar zijn. De ontvanger moet lineair reageren op signaalsterkte verschillen binnen een bereik van tenminste 15 dB (liefst 20 à 30 dB).

Onderstaande schema’s zijn van verschillende vossenjacht zenders en ontvangers, en de plaatjes kunnen vergroot worden door er op te klikken. De Originele schema’s zijn in het bezit bij Dick pa0dfn (pa0dfn@amsat.org)

VERGROOT DE SCHEMA’S DOOR ER MET DE MUIS OP TE KLIKKEN!  WERKT NOG NIET WORDT AAN GEWERKT

2 meter “Junior RX”

2 meter “Rus” 

 2 meter “ARDF en Spoetnik”

    

2 meter “super”

80 meter Enkelsuper

80 meter mini TX

          

80 meter mobiele antenne 

geschikt voor vossenjagen

80 meter “Rus”

ARDF Timer

 

ARDF Timer schakeling

ARDF zender 3,5 MHz

Spoetnik-vos

Bedankt voor het digitaal uitwerken van deze pagina: Eric van den Bergh, PA3DZM,